Hoe verloopt de opmaak van het EPC voor publieke gebouwen?

1. De publieke organisatie stelt een interne of een erkende energiedeskundige type C voor publieke gebouwen aan.

Interne energiedeskundigen en energiedeskundigen type C voor publieke gebouwen moeten zich eerst registreren op de energieprestatiedatabank. Raadpleeg de toelichting over de manier waarop een energiedeskundige voor publieke gebouwen zich kan registreren (pdf-bestand, 2 MB)

2. De energiedeskundige noteert de startwaarden van de meterstanden van elektriciteit, aardgas en stookolie.

Opgelet: stookolie moet gemeten worden met een stookoliedebietmeter. Raadpleeg de informatie over stookoliedebietmeters.

Raadpleeg de toelichting over de opmaak van het EPC voor publieke gebouwen.

3. De energiedeskundige bepaalt de totale bruikbare vloeroppervlakte en voert een doorlichting van de gebouwen aan de hand van een aantal technische auditlijsten. 

Raadpleeg de toelichting over de manier waarop de bruikbare vloeroppervlakte moet bepaald worden (pdf-bestand, 519 kB).

4. Exact één jaar na het noteren van de startwaarden noteert de energiedeskundige de eindwaarden van de meterstanden van elektriciteit, aardgas en stookolie.

Met de opnameformulieren en de auditlijsten kan de energiedeskundige voor publieke gebouwen de opmaak van het EPC op papier voorbereiden.

5. De energiedeskundige geeft de gegevens van de gebouwen in in de webapplicatie, www.energieprestatiedatabank.be, maakt het EPC op en overhandigt het gehandtekende EPC aan de publieke organisatie.

Raadpleeg de toelichting bij de opmaak van een EPC in de webapplicatie (pdf-bestand, 1 MB).

6. De publieke organisatie hangt het energieprestatiecertificaat uit op een voor het publiek duidelijk zichtbare plaats.

 ! Opmerking in verband met de graaddagen !
De webapplicatie verrekent de energieverbruiken via graaddagen om het kengetal vergelijkbaar te maken met het referentiekengetal, en op die manier rekening te houden met het stookseizoen.
Om deze berekening te kunnen maken, worden de gemiddelde dagtemperaturen maandelijks door het KMI doorgegeven aan het VEA. Het VEA laadt deze data dan in in de webapplicatie. Hier zit maximaal een vertraging van een vijftal weken op.