Elektrische warmtepomp: invoergegevens EPB-software (periode 2)

Warmtepomp met elektrische bijverwarming

Als de warmtepomp voorzien is van een elektrische weerstand voor bijverwarming, moet u deze weerstand in de volgende gevallen niet ingeven als een bijkomende preferente opwekker:

  • Voor projecten met een aanvraagdatum tot stedenbouwkundige vergunning vanaf 1 januari 2017 of later, waar de warmtepomp onder Ecodesign valt voor de opwekking van sanitair warm water en de weerstand werd geactiveerd bij de test volgens Ecodesign. In dit geval moet u de weerstand niet als extra opwekker voor sanitair warm water invoeren. 

Merk op: indien de weerstand ook voor bijverwarming zorgt voor ruimteverwarming, moet u deze voor ruimteverwarming wél steeds als bijkomende niet-preferente opwekker invoeren.

In alle andere gevallen moet u de weerstand wél inrekenen als bijkomende niet-preferente opwekker. Dit geldt voor alle warmtepompen die standaard voorzien zijn van een elektrische weerstand voor bijverwarming. Ook al is hij softwarematig geblokkeerd, hardwarematig afgekoppeld of zelfs volledig verwijderd. Alleen als de weerstand een product-optie is voor het betreffende toestel en er kan gestaafd worden dat deze optie niet voorzien is in het toestel op het moment van de aangifte, moet deze weerstand niet ingerekend worden. Als de elektrische weerstand een product-optie is en aanwezig is (hetzij in werking, hetzij in geblokkeerde of afgekoppelde toestand) op het moment van de EPB-aangifte, moet deze wel ingerekend worden. Meer informatie kunt u vinden bij stavingsstukken.

Warmtepomp met verwarmingslint

Warmtepompen met lucht als warmtebron zijn soms voorzien van een elektrisch element in de buitengroep (verwarmingslint) om de verdamper te ontdooien bij lage buitentemperaturen.
U rekent dat elektrisch element niet in als niet-preferente warmteopwekker. De invloed ervan wordt immers al meegerekend in de COPtest bepaald volgens de norm EN 14511.

Reversibele warmtepompen

Er kunnen zich verschillende situaties voordoen.

  • Voor warmtepomptypes die standaard reversibel zijn en dus in koelmodus kunnen werken, moet u – onafhankelijk van de rest van de installatie – aangeven dat er 'actieve koeling' is.
  • Voor een warmtepomp die reversibel is, maar waar de koelmodus softwarematig of hardwarematig onmogelijk werd gemaakt, moet u 'actieve koeling' ingeven. Deze actie kan immers eenvoudig omkeerbaar zijn.
  • Wanneer het reversibel zijn van de warmtepomp een productoptie is en deze optie niet werd voorzien in de warmtepomp, moet u geen actieve koeling ingeven.
  • Als de warmtepomp niet reversibel is en er geen andere koudeleveranciers aanwezig zijn, geeft u aan dat er 'geen actieve koeling' is.

Merk op: bij warmtepompen die buitenlucht als warmtebron gebruiken kan er in de winter ijs vormen in de buitenunit waardoor de warmte uit de buitenlucht niet meer voldoende kan opgenomen worden. Om deze reden is dit type warmtepomp vaak omkeerbaar om in de winter het gevormde ijs te kunnen ontdooien. Wanneer een warmtepomp met lucht als warmtebron omkeerbaar is alleen om een ontdooicyclus te laten lopen in de winter, moet u deze niet als actieve koeling ingeven. Hierbij mag het niet mogelijk zijn voor de gebruiker om de ontdooicyclus manueel aan te schakelen en zo toch de woning te koelen in de zomer.

Hulpenergie

Wanneer de warmtepomp aangesloten is op een afgiftesysteem op water, zijn er een of meerdere pompen nodig om het water rond te stuwen. Deze pompen moeten  ingerekend worden als hulpenergie. De volgende pompen moeten niet ingerekend worden:

  • een pomp op het circuit naar de verdamper (bij warmtepompen met bodem, grondwater of oppervlaktewater als warmtebron). Deze wordt al meegerekend bij het bepalen van de SPF.
  • Voor warmtepompen met directe condensatie is er geen intermediair transportmedium en bijgevolg is er dus ook geen hulpenergie nodig voor de warmteafgifte.

Het hulpenergieverbruik voor ventilatoren die geïntegreerd zijn in de warmtepomp moet vaak niet ingerekend worden omdat dit al wordt meegenomen in de COPtest:

  • voor een EPW-project moet de hulpenergie voor ventilatoren van binnen- en buitenunits van splits, multi-splits en warmtepompen niet ingegeven worden, tenzij de binnenunits aangesloten zijn aan luchtkanalen. In dit laatste geval moet het ventilatorverbruik ingegeven worden.
  • Voor een EPU-project moet de hulpenergie voor ventilatoren van binnenunits van splits, multi-splits en warmtepompen enkel ingegeven worden indien er verse lucht rechtstreeks wordt toegevoerd via deze units.

Ontwerpvertrek- en ontwerpretourtemperatuur

Meer informatie over de ontwerpvertrek- en ontwerpretourtemperatuur kunt u vinden bij afgifte.

Datum waarop het toestel in de handel werd gebracht

Vanaf de datum waarop een Europese wetgeving omtrent Ecodesign ingaat, mag een fabrikant geen toestellen meer mag fabriceren en verkopen die niet voldoen aan deze Europese verordening. De fabrikant mag wel nog toestellen verkopen die hij nog op stock had op deze datum.  Voor de datum waarop het toestel in de handel gebracht werd, neemt u dus de productiedatum van het toestel.

Toestel met apart opslagvat of externe warmtewisselaar

In de software moet u bij de invoer van een toestel voor warm tapwater aangeven of het toestel een apart opslagvat of een externe warmtewisselaar heeft. Welke mogelijkheden u hier kunt invoeren, vindt u terug bij opslag.