Elektrische warmtepomp: invoer in de software - RVW (periode 1)

EPB-software 3G

Invoer als opwekkingstoestel voor ruimteverwarming

Als de warmtepomp instaat voor ruimteverwarming, geeft u onder de knoop ‘Verwarming’ op het tabblad ‘warmteopwekkingssystemen’ de volgende gegevens in:

elektrischewarmtepomp-03.gif
  • ‘Merk’ en ‘product-ID’ van de warmtepomp
  • ‘Soort toestel’: kies hier ‘warmtepomp’
  • ‘Type warmtepomp’: kies hier ‘Elektrische warmtepomp’
  • ‘Waarde bij ontstentenis van het rendement’: soms kan het opwekkingsrendement van de warmtepomp niet bepaald worden, bijvoorbeeld als de COPtest onder de juiste testcondities niet beschikbaar is. In dit geval kunt u er voor kiezen om de waarde bij ontstentenis van het rendement te gebruiken. Voor lucht/lucht warmtepompen is deze waarde 1,25, voor alle andere warmtepomptypes 2. Indien u hier ‘ja’ aanvinkt moet u alleen nog het type warmtepomp aangeven, er is geen verdere invoer meer nodig.
  • ‘Warmtepomp uitgerust met elektrische weerstand’: meer informatie over wanneer u moet aangeven of er een elektrische weerstand is, vindt u bij Invoergegevens voor de EPB-software.
  • ‘Warmtebron van de verdamper’ en ‘warmteafgiftemedium van de condensor’
  • COPtest: dit is de prestatiecoefficiënt van de warmtepomp.

Afhankelijk van de warmtebron en het type warmteafgiftemedium verschijnen nog enkele vragen om de correctiefactoren  voor het berekenen van de SPF te bepalen. Meer informatie over deze correctiefactoren vindt u onder rekenmethode voor ruimteverwarming.

Correctiefactor op de vertrektemperatuur naar het afgiftesysteem

De vertrektemperatuur naar het afgiftesysteem heeft een belangrijke invloed op het rendement van de warmtepomp. Wanneer de ontwerpvertrektemperatuur naar het afgiftesysteem gekend is, geeft u dit aan ter hoogte van de energiesector op het tabblad 'Afgiftesystemen'. Daaruit berekent de EPB-software de correctiefactor fθ. In het andere geval, als u niet aangeeft dat die temperatuur gekend is, gebruikt de EPB-software de waarde bij ontstentenis horende bij het ingevoerde afgiftesysteem op dit tabblad. Meer informatie over de bepaling van de ontwerpretourtemperatuur vindt u bij Invoergegevens voor de EPB-software.

Correctiefactor op de temperatuurstoename over de condensor

Als het verschil tussen de vertrek- en de retourtemperatuur van het afgiftesysteem bij ontwerpomstandigheden gekend is, geeft u dit in op het tabblad 'Afgiftesystemen' zoals hierboven vermeld. Meer informatie over hoe u dit verschil kan bepalen vindt u bij Invoergegevens voor de EPB-software.

In dit vak geeft u ook de temperatuurstoename over de condensor in, dat is de temperatuurstoename bij de COPtest meting. Meer informatie over deze waarde vindt u bij Prestatiecoëfficiënt COPtest.

Als u het temperatuursverschil over de condensor en tussen vertrek en retour opgeeft, berekent de EPB-software de correctiefactor f∆θ. In het andere geval gebruikt de EPB-software de waarde bij ontstentenis voor de correctiefactor van 0,93.

Correctiefactor voor een pomp op het circuit naar de verdamper

Als de warmtebron van de warmtepomp bodem (zonder directe verdamping) of water is, wordt er steeds verondersteld dat er een pomp aanwezig is voor warmtetoevoer naar de verdamper.  Als het vermogen van deze pomp gekend is, geeft u dit in in dit blok.  Als er meerdere pompen zijn, geeft u de som van de vermogens in. Het elektrisch vermogen is het maximaal elektrisch vermogen dat de elektromotor (of de elektromotor-pomp-combinatie) bij continu bedrijf kan opnemen, met inbegrip van alle voorschakelapparatuur. Het elektrisch vermogen wordt dus gemeten ter hoogte van de netvoeding. 

Als u dit vermogen ingeeft, moet u ook het elektrisch vermogen van de warmtepomp ingeven. Dit is het elektrisch vermogen bij de condities waarbij de COPtest werd bepaald.

Correctiefactor voor luchtdebieten

Als de ontwerpdebieten (in m³/h) doorheen de installatie gekend zijn, en u wenst deze in rekening te brengen, vult u de in in dit blok.

Enkel bij volgende types warmtepompen kan het ontwerptoevoerdebiet (in m³/h) worden ingevuld:

  • een warmtepomp met afgevoerde ventilatielucht als enige warmtebron en toegevoerde ventilatielucht als enig warmteafgiftemedium
  • een warmtepomp met de combinatie van afgevoerde ventilatielucht en buitenlucht als warmtebron en toegevoerde ventilatielucht als enig warmteafgiftemedium

Als u de ontwerpdebieten ingeeft moet u ook het luchtdebiet doorheen de installatie tijdens de COPtest meting en het maximaal luchtdebiet doorheen de installatie (zoals opgegeven door de fabrikant) invoeren.

EPB-software Vlaanderen

Warmtepomp als bibliotheekelement
elektrischewarmtepomp-04.gif Maak eerst de warmtepomp aan in de projectbibliotheek. Hierbij krijgt u het volgende invoerscherm te zien in de EPB-software Vlaanderen:

Bepaalde gegevens moeten altijd ingevuld worden, andere invoervelden worden al dan niet getoond in functie van het type warmtebron en warmteafgiftemedium. Deze invoer geeft weer bij welke omstandigheden de COPtest werd bepaald en worden gebruikt voor de bepaling van de SPF. Meer informatie over deze invoergegevens kan u vinden bij ‘Invoergegevens voor de EPB-software’ en ‘stavingsstukken’, informatie over de bepaling van de SPF vindt u bij ‘rekenmethode voor ruimteverwarming’.

Invoer als opwekkingstoestel voor ruimteverwarming
elektrischewarmtepomp-05.gif

Eenmaal de warmtepomp is aangemaakt als bibliotheekelement, koppelt u deze aan een energiesector als opwekkingstoestel voor ruimteverwarming. Hiervoor selecteert u eerst als type opwekker ‘warmtepomp’ onder de rubriek ‘Installaties’, bij de subrubriek ‘Verwarming en koeling’. Onder deze zelfde subrubriek selecteert u vervolgens de warmtepomp in het tabblad ‘warmtepomp als opwekkingssysteem’. Alle verdere invoer voor de warmtepomp met betrekking tot de correctiefactoren, gebeurt in dit tabblad.  Meer informatie over deze correctiefactoren kan u vinden onder rekenmethode voor ruimteverwarming.

Merk op:

Invoer van de ontwerpvertrektemperatuur

 In het geval dat de ontwerpvertrektemperatuur naar het afgiftesysteem gekend is, kunt u het overeenkomstige vak aanvinken en die temperatuur (in °C) ingeven. Daaruit berekent de EPB-software de correctiefactor fθ. In het andere geval, als u niet aangeeft dat die temperatuur gekend is, gebruikt de EPB-software de waarde bij ontstentenis voor de ontwerpvertrektemperatuur naar het warmteafgiftesysteem. Als u kiest voor de waarde bij ontstentenis, moet u:

  • voor EPW-volumes het ‘soort afgiftesysteem’ selecteren op het tabblad ‘Afgiftekring’
  • voor EPU-volumes de ‘afgiftekring waarmee het toestel verbonden is’ aangeven op het tabblad ‘Opwekkingssysteem’

Meer informatie over de bepaling van de ontwerpvertrektemperatuur kan u vinden bij stavingsstukken.

Invoer verschil vertrek- en retourtemperatuur

In het geval dat het verschil tussen de vertrek- en de retourtemperatuur van het afgiftesysteem bij ontwerpomstandigheden gekend is, kunt u het overeenkomstige vakje aanvinken en dat verschil (in °C) ingeven. Als een systeem voor warmteopslag aanwezig is, moet dat ook in rekening worden gebracht. Meer informatie over hoe u dit verschil kan bepalen kan u vinden bij stavingsstukken.

De in te vullen waarde is wel degelijk het ‘verschil’ tussen vertrek- en retourtemperatuur en niet de retourtemperatuur zelf. Het gebeurt vaak dat de waarde verkeerd wordt ingevuld.  Als de ontwerpvertrektemperatuur bijvoorbeeld 35°C is en de ontwerpretourtemperatuur is 28°C, dan is het verschil 7°C.

Als u het temperatuursverschil opgeeft, berekent de EPB-software daarmee f∆θ. In het andere geval gebruikt de EPB-software de waarde bij ontstentenis voor de correctiefactor van 0,93.

Invoer van een pomp voor warmtetoevoer naar de verdamper

Als er een pomp aanwezig is voor de warmtetoevoer naar de verdamper, geeft u dit in. Als de warmtebron van de warmtepomp grondwater is, is er altijd een pomp aanwezig naar de verdamper en zal de EPB-software automatisch het selectievakje aanvinken. Dat kan u niet aanpassen.

Dat aanvinkvak is ook actief als de warmtebron van de warmtepomp bodem is, maar daarbij is er wel de mogelijkheid om het aan/uit te vinken. Bij een gesloten intermediair hydraulisch circuit tussen de bodem en de verdamper is er altijd een pomp aanwezig en mag u niet vergeten dat vak aan te vinken. Enkel bij directe verdamping in de bodem is er geen extra pomp.

Als u hebt aangevinkt dat er een pomp is geplaatst, is het mogelijk om het elektrisch vermogen van de pomp (in kW) in te vullen. Als er meerdere pompen zijn, geeft u de som van de vermogens in. Het elektrisch vermogen is het maximaal elektrisch vermogen dat de elektromotor (of de elektromotor-pomp-combinatie) bij continu bedrijf kan opnemen, desgevallend met inbegrip van alle voorschakelapparatuur. Het elektrisch vermogen wordt dus gemeten ter hoogte van de netvoeding.

Opgelet: dit vermogen vult u in kW en niet in W in.

Correctiefactor voor luchtdebieten

Als het ontwerptoevoerdebiet (in m³/h) doorheen de installatie gekend is, en u wenst dat debiet in rekening te brengen, vink dan het selectievakje voor ‘rekenen met waarden bij ontstentenis’ uit en vul het debiet in.

Enkel bij volgende types warmtepompen kan het ontwerptoevoerdebiet (in m³/h) worden ingevuld:

  • een warmtepomp met afgevoerde ventilatielucht als enige warmtebron en toegevoerde ventilatielucht als enig warmteafgiftemedium
  • een warmtepomp met de combinatie van afgevoerde ventilatielucht en buitenlucht als warmtebron en toegevoerde ventilatielucht als enig warmteafgiftemedium

Als het selectievakje aangevinkt blijft, rekent de EPB-software met de waarde bij ontstentenis.