Invoer van specifieke combinaties of toepassingen met warmtepompen (periode 2)

Warmtepomp in combinatie met warmteterugwinapparaat

Warmtepompen met als bron ventilatielucht worden soms gecombineerd met warmteterugwinapparaten. Bij deze combinatie geeft u de warmtepomp in als opwekker en het warmteterugwinapparaat apart onder ‘Installaties’ bij ‘Ventilatie’. De COPtest van de warmtepomp moet bepaald zijn zonder het effect van het warmteterugwinapparaat. Het effect van dat apparaat wordt al bij het luik 'ventilatie' ingerekend.

Warmtepomp met elektrische bijverwarming

Wanneer een warmtepomp gecombineerd wordt met een elektrische weerstand voor bijverwarming, moet deze weerstand als niet-preferente opwekker worden ingerekend. Ook in het geval dat de aanwezige elektrische weerstand geblokkeerd, afgekoppeld of verwijderd werd. Meer informatie hierover bij ‘Invoergegevens voor de EPB-software’. In de EPB-software 3G geeft u in dit geval de warmtepomp in als preferente opwekker en de elektrische weerstand als niet-preferente opwekker.

Reversibele warmtepompen

Bij warmtepompen die als actieve koelmachine kunnen gebruikt worden, moet aangegeven worden dat er actieve koeling is. Dat is ook het geval als de warmtepomp niet wordt gebruikt om te koelen of als de koelfunctie achteraf onbruikbaar werd gemaakt. Meer informatie vindt u onder ‘Invoergegevens voor de EPB-software’.

  • Voor een EPW-project geeft  u aan dat er ‘Actieve koeling’ is bij de knoop van de energiesector in de boomstructuur.  In EPW wordt actieve koeling ingerekend met een vaste waarde voor het rendement: het forfaitair systeemrendement is 0,9 en de forfaitaire EER van het koelsysteem is 2,5.
  • Voor een EPU-project (kantoor of school) geeft u bij de knoop van de energiesector in de boomstructuur ‘ja’ aan bij ‘Koelsysteem’. Hierdoor verschijnt er een knoop ‘Koeling’ in de boomstructuur, onder deze energiesector. Onder deze knoop geeft u de warmtepomp in als compressiekoelmachine.

Warmtepompen met directe verdamping en/of directe condensatie

In de EPB-software 3G kan u bij de invoer van de warmtepomp als toestel voor ruimteverwarming aangeven of de warmtepomp werkt met directe verdamping en/of condensatie.

  • Directe verdamping: kies bij ‘Warmtebron van de verdamper’ voor ‘Bodem (directe verdamping)’
  • Directe condensatie: kies bij ‘Warmteafgiftemedium van de condensor’ voor ‘Geen fluïdum (directe condensatie)’

Bij de invoer van de warmtepomp als opwekker voor warm tapwater kan niet ingegeven worden of er gebruik gemaakt wordt van directe condensatie. De warmtebron en het afgiftemedium hebben immers geen effect op het resultaat.

Hulpenergie bij warmtepompen

Wanneer een warmtepomp wordt ingezet voor ruimteverwarming door middel van een afgiftesysteem op water, zijn er een of meerdere pompen nodig om het water rond te stuwen. Net als bij andere opwekkers moeten deze pompen ingegeven worden bij hulpenergie. U geeft deze in onder de knoop ‘verwarming’ in de boomstructuur, in het tabblad ‘Hulpenergie circulatiepompen’.

Ventilatoren die voor luchtverwarming dienen, al dan niet gecombineerd met bewuste ventilatie, geeft u in onder de knoop ‘Ventilatie’ in de boomstructuur, in het tabblad ‘Hulpenergie’ . Meer informatie vindt u bij 'Hulpenergie ventilatie' .

Let op: sommige pompen en ventilatoren voor warmtepompen moeten niet meegerekend worden als hulpenergie. Meer informatie vindt u bij ‘Invoergegevens voor de EPB-software’.