Warmte-krachtbesparing (WKB)

De warmte-krachtbesparing (WKB) wordt maandelijks berekend voor warmte-krachtinstallaties die recht hebben op warmte-krachtcertificaten.

Bij het indienen van de definitieve aanvraag voor warmte-krachtcertificaten kan u een berekeningsvoorstel toevoegen. Welke formule u best gebruikt is afhankelijk van de situatie en de installatie.

Basisformule

WKB = FE + FQ - F

  • FE is de brandstof die bij gescheiden opwekking zou gebruikt worden om evenveel elektriciteit als de warmte-krachtinstallatie op te wekken in deze maand.
  • FQ is de brandstof die bij gescheiden opwekking zou gebruikt worden om evenveel warmte als de warmte-krachtinstallatie op te wekken in deze maand.
  • F is de brandstof die de warmte-krachtinstallatie zelf verbruikt in deze maand.

De rendementen FE en FQ kan u berekenen als u de geproduceerde elektriciteit en warmte in de warmte-krachtinstallatie kent. De formule wordt dan:

Formule voor WKB
  • EWKK is de elektrische energie die de warmte-krachtinstallatie netto in deze maand heeft geproduceerd.
  • Qnetto is de warmte die de warmte-krachtinstallatie netto in deze maand heeft geproduceerd.
  • ηE is het rendement voor de gescheiden opwekking van elektriciteit.
  • ηQ is het rendement voor de gescheiden opwekking van warmte.
  • F is de brandstof die de warmte-krachtinstallatie verbruikt in deze maand.

De rendementen voor de gescheiden opwekkingE en ηQ) zijn vastgelegd in het Energiebesluit.

Afhankelijk van de situatie en de installatie kan de formule uitgebreid worden.

Formule toepassen bij:

Qnetto bestaat uit verschillende componenten

De warmte die de warmte-krachtinstallatie produceert kan uit verschillende componenten bestaan, zoals warmte in de vorm van stoom, warme lucht, en heet water. De formule wordt dan:

WKB-formule met stoom
  • EWKK is de elektrische energie die de warmte-krachtinstallatie netto in deze maand heeft geproduceerd.
  • Qnetto,S is de warmte in de vorm van stoom die de warmte-krachtinstallatie netto in deze maand heeft geproduceerd.
  • Qnetto,W is de warmte in de vorm van heet water die de warmte-krachtinstallatie netto in deze maand heeft geproduceerd.
  • Qnetto,L is de warmte in de vorm van warme lucht die de warmte-krachtinstallatie netto in deze maand heeft geproduceerd.
  • ηE is het rendement voor de gescheiden opwekking van elektriciteit.
  • ηQ is het rendement voor de gescheiden opwekking van warmte.
  • F is de brandstof die de warmte-krachtinstallatie verbruikt in deze maand.

Warmte-krachtinstallatie in de tuinbouw

De productie van nuttig ingezette CO2 voor een warmte-krachtinstallatie in de tuinbouw wordt beloond. De warmte die de warmte-krachtinstallatie produceert (Qnetto) zal verhoogd worden met 10%. De formule wordt dan:

WKB-formule tuinbouw
  • EWKK is de elektrische energie die de warmte-krachtinstallatie netto in deze maand heeft geproduceerd.
  • Qnetto,W is de warmte in de vorm van heet water die de warmte-krachtinstallatie netto in deze maand heeft geproduceerd.
  • Qnetto,L is de warmte in de vorm van warme lucht die de warmte-krachtinstallatie netto in deze maand heeft geproduceerd.
  • ηE is het rendement voor de gescheiden opwekking van elektriciteit.
  • ηQ is het rendement voor de gescheiden opwekking van warmte.
  • K is gelijk aan 1,1 en is de factor die in rekening brengt dat de gemeten warmte met 10 % wordt verhoogd omdat de warmte-krachtinstallatie gebruikt wordt voor de productie van nuttig ingezette CO2
  • F is de brandstof die de warmte-krachtinstallatie verbruikt in deze maand.

Wetgeving

De formule is beschreven in artikel 6.2.10.  van het Energiebesluit:

§ 1. De warmtekrachtbesparing die gerealiseerd wordt door een warmtekrachtinstallatie voor elektriciteitsproductie, wordt berekend als de primaire energiebesparing die wordt gerealiseerd door gebruik te maken van een warmtekrachtinstallatie in plaats van een referentie-installatie die dezelfde nettohoeveelheid elektriciteit en nuttige warmte zou opwekken als die warmtekrachtinstallatie. 
Voor de berekening van de warmtekrachtbesparing door een warmtekrachtinstallatie met elektriciteitsproductie, wordt uitgegaan van de netto-elektriciteitsproductie die op de locatie zelf verbruikt wordt of die geleverd wordt aan het distributienet, aan het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, aan het transmissienet of aan directe lijnen. Die netto-elektriciteitsproductie wordt gemeten voor de eventuele transformatie naar netspanning.

§ 2. De warmtekrachtbesparing die gerealiseerd wordt door een warmtekrachtinstallatie voor de rechtstreekse mechanische aandrijving van machines, wordt berekend als de primaire energiebesparing die wordt gerealiseerd door gebruik te maken van een warmtekrachtinstallatie in plaats van de best beschikbare aandrijftechnologie en referentie-installatie die dezelfde aandrijving en dezelfde hoeveelheid nuttige warmte zouden leveren als die warmtekrachtinstallatie. 
De aanvrager toont aan  het VEKA de correctheid van de berekening van die primaire energiebesparing aan.

§ 3. Voor de berekening van de warmtekrachtbesparing wordt uitgegaan van de nuttige warmte die gebruikt wordt als warmtebron en die niet voor de verdere productie van elektriciteit wordt aangewend. Als blijkt dat de nuttige warmte slechts voor een klein deel gebruikt wordt voor de verdere productie van elektriciteit, kan  het VEKA beslissen om voor de bepaling van de nuttige warmte, en voor de bepaling van de productie van elektriciteit een vereenvoudigde berekeningsmethode toe te laten.
In afwijking van het eerste lid wordt de warmte, aangewend door een installatie die op zichzelf een relatieve primaire energiebesparing zoals bepaald in bijlage I levert, wel als nuttige warmte beschouwd.

§ 4. Als een warmtekrachtinstallatie wordt gebruikt voor de productie van CO2, wordt de gemeten hoeveelheid geproduceerde benutte warmte met 10 % verhoogd voor de berekening van de warmtekrachtbesparing.

§ 5. Voor de sites waar al beschikbare warmte wordt gebruikt en zolang de theoretische technische levensduur van de oorspronkelijke warmteproducent niet is bereikt, berekent het VEKA de warmte-krachtbesparing niet op basis van het vermeden primaire energieverbruik ten opzichte van een referentie-installatie, maar op basis van het vermeden primaire energieverbruik ten opzichte van de oorspronkelijke warmteproducent die dezelfde hoeveelheid nuttige warmte produceert, op voorwaarde dat de primaire energiebesparing van de nieuwe warmte-krachtinstallatie of de ingrijpende wijziging ten opzichte van de oorspronkelijke warmteproducent kleiner is dan de primaire energiebesparing ten opzichte van een referentie-installatie.
De theoretische technische levensduur, vermeld in het eerste lid, is tien jaar voor warmte-krachtinstallaties met motoren en vijftien jaar voor warmte-krachtinstallaties met turbines. Het VEKA kan de theoretische technische levensduur vastleggen voor andere installaties die beschikbare warmte produceren.
Om de hoeveelheid al beschikbare warmte te bepalen, wordt uitgegaan van het verbruik van beschikbare warmte tijdens de referentieperiode die voorafgaat aan de eerste dag van de maand waarin de nieuwe warmte-krachtinstallatie of de ingrijpende wijziging in dienst wordt genomen. De referentieperiode is twee jaar voor warmte-krachtinstallaties met motoren en drie jaar voor warmte-krachtinstallaties met turbines. Het VEKA kan de lengte van de referentieperiode vastleggen voor andere warmteproducenten of als niet alle vereiste meetgegevens beschikbaar zijn.
Het VEKA kan nadere regels vastleggen voor de berekening van het vermeden primaire energieverbruik bij het gebruik van beschikbare warmte.
In afwijking van het eerste lid beschouwt  het VEKA voor sites waar al beschikbare warmte gebruikt wordt, het gedeelte van deze beschikbare warmte dat volgens metingen na de indienstneming van de nieuwe kwalitatieve warmtekrachtinstallatie verder voor de invulling van een economisch aantoonbare vraag wordt aangewend, niet als beschikbare warmte.

§ 6. Voor nieuwe warmtekrachtinstallaties worden de warmtekrachtbesparing en het aantal toe te kennen warmtekrachtcertificaten vanaf de ingebruikname gedurende tien jaar berekend op basis van de voorwaarden tot toekenning en aanvaarding van warmtekrachtcertificaten, de berekeningsmethode, het thermisch of elektrisch rendement van een referentie-installatie en het rendement van de best beschikbare aandrijftechnologie, die werden vastgelegd bij de aanvraag van warmtekrachtcertificaten.

§ 7. Het thermisch rendement van de referentie-installatie wordt gelijkgesteld aan 90 % in geval van een warmtekrachtinstallatie die haar warmte afstaat in de vorm van heet water, 93 % in het geval van een warmtekrachtinstallatie die haar warmte afstaat in de vorm van hete lucht voor droogtoepassingen, 85 % in geval van een warmtekrachtinstallatie die haar warmte afstaat in de vorm van stoom of in de vorm van nog niet vermelde media, en 500 % als referentieperformantiecoëfficiënt in het geval van een warmtekrachtinstallatie die koude produceert. Voor warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van biogas dat geen biomethaan betreft, wordt het thermisch rendement van de referentie-installatie gelijkgesteld aan 70 %.

§ 8. Het elektrisch rendement van de referentie-installatie wordt voor warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van fossiele energiebronnen of biomethaan gelijkgesteld aan 55 % in geval van een warmtekrachtinstallatie die aangesloten is op een spanningsnet met een nominale spanning die hoger is dan 15 kV, en 50 % in geval van een warmtekrachtinstallatie die aangesloten is op een spanningsnet met een nominale spanning die lager is dan of gelijk is aan 15 kV.
Voor warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen, wordt het elektrisch rendement van de referentie-installatie gelijkgesteld aan 42 % bij de toepassing van biogas dat geen biomethaan betreft, 42,7 % bij de toepassing van vloeibare biobrandstoffen, 34 % bij de toepassing van hout of houtafval, en 25 % bij de toepassing van andere vaste biomassastromen.
Voor warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van verschillende fossiele of hernieuwbare energiebronnen wordt het elektrisch rendement van de referentie-installatie gelijkgesteld aan het op basis van de energie-input gewogen gemiddelde van de elektrische rendementen van de referentie-installatie dat bepaald is overeenkomstig het eerste en het tweede lid.
Het rendement van de best beschikbare aandrijftechnologie wordt gelijkgesteld aan 52 %.
§ 9. De Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, past na advies van  het VEKA de referentierendementen, vermeld in paragraaf 7 en 8, aan de stand van de techniek aan en legt extra referentierendementen vast als dat nodig is voor de berekening van de warmtekrachtbesparing. Hij houdt daarbij rekening met de werkelijk gemeten rendementen van de referentie-installaties, de best beschikbare aandrijftechnologie en andere referentietechnologieën, enerzijds onafhankelijk van de gebruikte energiebron voor fossiele energiebronnen, en anderzijds voor hernieuwbare energiebronnen.
§ 10.  Het VEKA kan nadere regels opleggen betreffende de beoordeling of voldaan wordt aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in bijlage I, en betreffende de bepaling van de warmtekrachtbesparing voor types van complexe warmtekrachtinstallaties.  Het VEKA publiceert die nadere regels op haar website.