Bestemmingen (huidig)

De bestemmingen bepalen, samen met de aard van de werken, welke EPB-eisen gelden.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen vijf bestemmingen:

Residentieel

Een gebouw of gebouwdeel bestemd voor huisvesting voor zover het geen collectief woongebouw met gemeenschappelijke voorzieningen betreft. Ze bestaan uit één of meerdere wooneenheden. Een wooneenheid (ook een EPW-eenheid genoemd) is een eenheid die over de nodige woonvoorzieningen beschikt om autonoom te kunnen functioneren, meer bepaald:

  • een verblijfsruimte
  • een toilet
  • een douche of bad
  • een keuken of kitchenette

Voorbeelden zijn:

  • ééngezinswoning
  • appartementsgebouw
  • serviceflats voor bejaarden
  • woningen in vakantieparken (chalet, bungalow)
  • studio in studentenhome, woonzorgcentrum, ... die over alle woonvoorzieningen beschikt om autonoom te kunnen functioneren
  • zorgwoning die over alle woonvoorzieningen beschikt om autonoom te kunnen functioneren

Niet-residentieel

Een gebouw of gebouwdeel met een niet-residentiële bestemming kan opgedeeld worden in vier categorieën: collectief woongebouw met gemeenschappelijke voorzieningen, kantoor, school en andere specifieke bestemming. Een EPB-eenheid met een niet-residentiële bestemming wordt ook een EPN-eenheid genoemd.

Collectief woongebouw met gemeenschappelijke voorzieningen

Dit zijn woongebouwen die gebruik maken van gemeenschappelijke voorzieningen, zoals keukens, badkamers of toiletten. Voorbeelden zijn:

  • internaatdeel bij een school
  • studentenhome
  • verblijfsdeel van een kazerne
  • klooster
  • nachtopvang daklozen
  • tehuis voor kortverblijf, gezinsvervangend tehuis of observatiecentrum voor personen met een handicap
  • autonoom centrum voor algemeen welzijnswerk: residentieel
  • residentiële voorziening voor bijzondere jeugdbijstand: begeleidingstehuis, gezinstehuis, onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum

Merk op: indien deze gebouwen één of meerdere wooneenheden bevatten, vallen deze wooneenheden onder de bestemming ‘residentieel’.

Kantoor

Een gebouw of gebouwdeel bestemd voor een dienstverleningsfunctie waarin voornamelijk administratief werk wordt verricht. Daaronder vallen ook de gebouwen die bestemd zijn om te worden gebruikt voor de uitoefening van een vrij beroep zoals gedefinieerd in de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen. Voorbeelden zijn:

  • kantoor van een dokter, advocaat, notaris, architect, kinesist, logopedist …
  • gemeentehuis
  • overheidsgebouw
  • hoofdzetel van een bank, van een verzekeringsmaatschappij …
  • administratieve zetel van een bedrijf
  • politiekantoor
  • gerechtsgebouw
  • gebouwen voor preventieve en ambulante gezondheidszorg (gezondheidscentrum, centrum voor medisch schooltoezicht, consultatiebureau, centrum voor geestelijke gezondheidszorg, wijkgezondheidscentrum, aanloopadres beschut wonen … )
  • centrum voor teleonthaal
  • dienst voor begeleid of zelfstandig wonen, oriënteringscentrum en thuisbegeleidingsdienst voor personen met een handicap
  • autonoom centrum voor algemeen welzijnswerk: niet-residentieel
  • ambulante voorziening voor bijzondere jeugdbijstand: dienst thuisbegeleiding, pleegzorg, begeleid zelfstandig wonen

School

Een gebouw of gebouwdeel bestemd voor een onderwijsfunctie, zoals:

  • kleuterschool
  • lagere school
  • middelbare school
  • hogeschool
  • universiteit
  • gebouw voor volwassenenonderwijs
  • gebouw voor aanvullend onderwijs
  • academie voor muziek, woord en dans
  • academie voor beeldende kunsten

Andere specifieke bestemmingen

Een niet-residentieel gebouw of gebouwdeel dat niet onder één van bovenstaande categorieën valt. Hieronder vallen ondermeer gebouwen met een gezondheids-, sport-, handels-, horeca- of bijeenkomstfunctie of andere typen energieverbruikende gebouwen.

  • algemeen of universitair ziekenhuisgebouwen voor opname, behandeling en verzorging van patiënten
  • rust- en verzorgingstehuis
  • psychiatrisch ziekenhuis
  • gebouwen voor gezondheidszorgfunctie met enkel dagverblijf van mensen
  • revalidatiecentrum
  • (semi-)internaat voor minderjarige personen met een handicap
  • bezigheidstehuis (voor niet werkenden) of dagcentrum voor personen met een handicap
  • lokaal of regionaal dienstencentrum, dagverzorgingscentrum en centrum voor kortverblijf voor bejaarden
  • zwembad
  • sporthal
  • fitnesscentrum
  • dansclub
  • bowling
  • winkelcentrum
  • supermarkt
  • slagerswinkel
  • bakkerswinkel
  • kapsalon
  • apotheek
  • toonzaal
  • bankkantoor, postkantoor
  • verzekeringskantoor, immobiliënkantoor
  • reisbureau
  • gebouw voor verkoop bij tankstation
  • praktijk dierenarts
  • dagopvang voor kinderen (crèche), voor bejaarden, voor gehandicapten, voor bijzondere jeugdzorg (semi-ambulante voorziening : dagcentrum) ...
  • congrescentrum
  • polyvalent wijklokaal
  • indoor speeltuin, indoor pretpark ...
  • hotel, motel
  • restaurant, café, discotheek
  • bioscoop, theater
  • museum, kunstgalerij
  • bibliotheek
  • kerk, synagoge, moskee, ...
  • lokale jeugdbeweging
  • stationsgebouw
  • luchthavengebouw
  • labo’s
  • gevangenis

Industrie

Een gebouw of gebouwdeel bestemd voor de productie, de bewerking, de opslag of manipulatie van goederen. Voorbeelden zijn:

  • werkatelier schrijnwerker
  • industriële bakkerij, slachterij
  • herstelplaats voor voertuigen, zoals auto, tram, trein ...
  • brouwerij
  • maalderij
  • meubelbedrijf
  • textielfabriek
  • drukkerij
  • postsorteercentrum
  • beschutte werkplaats
  • centrum voor beroepsopleiding

Landbouw

Een gebouw of gebouwdeel in een landbouwbedrijf dat niet voor bewoning bestemd is.  Voor deze gebouwen geldt een afwijkende set EPB-eisen of een vrijstelling van de EPB-plicht. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen vier categorieën:

Serres voor warme teelten

Wanneer een stooktemperatuur van minstens 12°C vereist is, ongeacht de teeltperiode, spreken we van een warme teelt. Deze temperatuur is vereist voor vruchtgroenten (paprika, tomaat, komkommer en aubergine), warme kasplanten en snijbloemen.

Gebouwen voor de energie-intensieve productie, bewaring of primaire behandeling van landbouwproducten

Gebouwen voor energie-intensieve productie, bewaring of primaire behandeling van landbouwproducten zijn gebouwen die op een bepaalde temperatuur gehouden voor de producten die er geproduceerd, bewaard of verwerkt worden. Meer specifiek wordt hieronder verstaan:

  • energie-intensieve bewaring van plantaardige producten: het bewaren van plantaardige producten zoals aardappelen, wortelen en ajuinen, waarvoor een constante temperatuur vereist is;
  • energie-intensieve productie van plantaardige producten: het laten groeien of forceren van plantaardige producten zoals witloof en champignons, waarvoor een constante temperatuur vereist is;
  • primaire behandeling van plantaardige producten: het wassen, snijden of inpakken van land- en tuinbouwproducten zoals witloof, champignons en groenten.

Voorbeelden zijn:

  • Voor een goede aardappelbewaring wordt de loods gedurende 9 maanden op een constante temperatuur van 7 à 9 °C (afhankelijk van het ras) gehouden. In de winter moet de warmte binnen worden gehouden en in de zomer moet de warmte buiten gehouden worden. Bovendien is ventilatie nodig om het vocht en de warmte die de aardappelen produceren, af te voeren.
  • Grondwitloof wordt steeds vaker in loodsen geforceerd (herfst – winter – voorjaar), in plaats van onder platen. Forceren is het vervroegd in groei trekken van de planten door kunstmatige warmte. Hierbij wordt de bodem per cyclus periodiek verwarmd: men streeft naar een bodemtemperatuur van 14 tot 16°C gedurende een beperkte periode.
  • Wanneer prei geoogst wordt, wordt deze vaak ter plaatse in een loods gewassen en ingepakt. Het is belangrijk dat in de loods een zekere binnentemperatuur en binnenluchtkwaliteit voor de werknemers kan gehaald worden.

Stallen voor varkens of pluimvee

Stallen voor varkens of pluimvee.

landbouwgebouwen met een lage energiebehoefte

Het gaat om landbouwgebouwen met een specifieke functie die nauwelijks energieverbruik vereist voor het bereiken van een specifieke binnentemperatuur.  Elk landbouwgebouw dat niet in één van bovenstaande categorieën valt, wordt beschouwd als landbouwgebouw met lage energiebehoefte:

Voorbeelden:

  • niet-geconditioneerde loodsen bestemd voor bijvoorbeeld machines en voertuigen;
  • melkveestallen;
  • vleesveestallen;
  • schapen- en geitenstallen;
  • paardenstallen;
  • serres voor koude teelten.

Gemeenschappelijke delen

De gemeenschappelijke delen van een gebouw vormen een aparte EPB-eenheid. Binnen de energieprestatieregelgeving wordt een onderscheid gemaakt tussen residentiële en niet-residentiële gemeenschappelijke delen.

Residentiële gemeenschappelijke delen

Residentiële gemeenschappelijke delen omvatten elk fysiek aaneensluitend deel van een gebouw dat

  • gemeenschappelijk wordt gebruikt
  • grenst aan minstens twee EPB-eenheden met een residentiële bestemming
  • behoort tot het beschermde volume van het gebouw

Gemeenschappelijke delen, zoals traphallen, grenzen nagenoeg altijd aan meerdere EPB-eenheden. Alle gemeenschappelijke delen die fysiek aan elkaar grenzen, worden altijd samengenomen in een EPB-eenheid. Ook twee gemeenschappelijke delen van elkaar gescheiden door een deur worden samengenomen, want ze grenzen aan elkaar.

Merk op: Als de gemeenschappelijke delen niet tot het beschermde volume van het gebouw behoren en dus niet verwarmd zijn, beschouwt u ze als aangrenzende onverwarmde ruimten.

Niet-residentiële gemeenschappelijke delen

Niet-residentiële gemeenschappelijke delen omvatten elk fysiek aaneensluitend deel van een gebouw dat

  • gemeenschappelijk wordt gebruikt
  • grenst aan minstens twee EPB-eenheden met een andere bestemming dan ‘residentieel’
  • behoort tot het beschermde volume van het gebouw

Merk op: Als een gemeenschappelijk deel zowel aan een EPB-eenheid ‘residentieel’ grenst als aan een EPB-eenheid met een andere bestemming dan ‘residentieel’, beschouwt u het als een residentieel gemeenschappelijk deel beschouwd.

Merk op: De wijze waarop u gemeenschappelijke delen in de software invoert, verschilt afhankelijk van het softwarepakket. In de EPB-software Vlaanderen moet men bij de aanmaak van een EPB-eenheid specificeren of het om residentieel of niet-residentieel gemeenschappelijk deel gaat. In de EPB-software 3G moet u aanduiden met welke bestemming het gemeenschappelijk deel in verbinding staat. Als een gemeenschappelijk deel zowel aan een EPB-eenheid 'wonen' grenst als aan een EPB-eenheid met een andere bestemming dan ‘wonen’, wordt het als een residentieel gemeenschappelijk deel beschouwd en moet u dus op de vraag "gemeenschappelijk deel staat in verbinding met" antwoorden dat het hier om 'wonen' gaat.