Thermische massa: rekenmethode – niet-residentieel

Principe

In de EPN-rekenmethode bepaalt u voor elk functioneel deel afzonderlijk de effectieve thermische capaciteit Cfct f. Dat kan op verschillende manieren:

Vereenvoudigde methode

Met de vereenvoudigde methode bepaalt u de thermische capaciteit aan de hand van een aantal parameters:

  • Minimum van de massa van de plafond- en vloerconstructie per eenheid gebruiksoppervlakte (in kg/m²). U bepaalt of deze lager is dan 100, tussen 100 en 400 of hoger dan 400 kg/m².
  • Is er al dan niet een gesloten verlaagd plafond aanwezig? Een verlaagd plafond geldt als gesloten van zodra minder dan netto 15% van de plafondoppervlakte open is.
  • Is de vloer al dan niet verhoogd? Dit gebeurt bijvoorbeeld om kabels onzichtbaar weg te werken. 

Een verlaagd plafond en/of verhoogde vloer zullen leiden tot een lagere thermische capaciteit.

Gedetailleerde methode

Met de gedetailleerde methode bepaalt u de thermische capaciteit van een functioneel deel als de som van de werkzame massa van alle aanwezige constructiedelen (dus ook de interne constructiedelen, maar niet de niet-dragende binnenwanden). De werkzame massa van een constructiedeel is afhankelijk van de volumieke massa, de soortelijke warmte en de werkzame dikte (die onder andere afhangt van de plaats van de isolatie).

Deze methode is doorgaans zeer arbeidsintensief.

Waarde bij ontstentenis

De waarde bij ontstentenis voor de thermische massa is gebaseerd op de vereenvoudigde methode, waarbij telkens wordt uitgegaan van de minst gunstige optie. Concreet betekent dit een specifieke effectieve thermische capaciteit van 55 kJ/(m².K).

Opmerking EPU - EPN

De EPU-methode is hetzelfde, maar daar bepaalt u de effectieve thermische capaciteit per energiesector in plaats van per functioneel deel.