Circulatieleiding: rekenmethode (huidig)

Het effect van een circulatieleiding wordt ingerekend in het systeemrendement voor warm tapwater. Hieronder worden de belangrijkste aspecten van de rekenmethode toegelicht.

Rendement van de circulatieleiding

Het rendement van de circulatieleiding wordt bepaald als de verhouding van de totale hoeveelheid warmte die de circulatieleiding levert aan de aangesloten tappunten tot de som van deze totale hoeveelheid geleverde warmte en de warmteverliezen die optreden in de circulatieleiding. Hoe hoger het rendement van de circulatieleiding, hoe kleiner de impact van de circulatieleiding op het E-peil.

Warmteverliezen in de circulatieleiding

De warmteverliezen die optreden in de circulatieleiding worden bepaald op basis van:

  • temperatuur van het sanitair warm water: deze temperatuur wordt steeds vast verondersteld op 60 °C
  • omgevingstemperatuur: deze hangt af van de omgeving waarin de circulatieleiding of een  deel ervan zich bevindt. Er wordt gerekend met vaste waarden voor deze temperatuur in functie van het type omgeving. Hoe groter het temperatuursverschil tussen de omgevingstemperatuur en het sanitair warm water, hoe  meer warmteverliezen zullen optreden in de circulatieleiding
  • lengte van de circulatieleiding: hoe langer de circulatieleiding, hoe meer warmteverliezen er optreden bij eenzelfde isolatiewaarde
  • lineaire warmteweerstand van de isolatie: hoe hoger deze weerstand, hoe minder warmteverliezen zullen optreden voor eenzelfde lengte van de circulatieleiding. Hier wordt ook rekening gehouden met de uitvoeringskwaliteit van de isolatie

Tappunten buiten het EPB-plichtige volume

In sommige gevallen worden nieuwe EPB-eenheden aangesloten op een bestaande circulatieleiding. In dat geval hebben de tappunten van het bestaande deel een effect op het rendement van de circulatieleiding. Het is mogelijk om rekening te houden met deze tappunten op eenzelfde manier als bij een combilussysteem.

Uitvoeringskwaliteit van de isolatie

De uitvoering van de isolatie is zelden perfect, waardoor koudebruggen kunnen ontstaan ter hoogte van bijvoorbeeld aftakkingen, bochten en kraanwerk in de leidingen. Deze niet-perfecte uitvoering wordt in rekening gebracht met een factor finsul. In de bepaling van het rendement van de circulatieleiding worden de warmteverliezen vermenigvuldigd met deze factor. De waarde van finsul hangt af van hoe de isolatie bij bochten, aftakkingen, … uitgevoerd is. De onderstaande tabel vat samen aan welke voorwaarden moet voldaan zijn om een bepaalde waarde voor finsul te halen:

finsul = 2

geen voorwaarden (waarde bij ontstentenis)

finsul = 1,3

  • de isolatie van elke bocht is van hetzelfde materiaal en heeft dezelfde dikte als de isolatie van de aangrenzende rechte leidingstukken en is zo aangebracht dat de isolatie nergens wordt onderbroken. Hierbij mag per 100 m circulatieleiding, één bocht afwijken van deze eis
  • geen enkele beugel ter bevestiging van de leiding onderbreekt de isolatie
  • de isolatie van de hoofdleiding wordt ter hoogte van geen enkele aftakking onderbroken en de thermische isolatie van elke aftakleiding, indien van toepassing, sluit aan op deze van de hoofdleiding. Hierbij mag per 100 m circulatieleiding, één aftakking afwijken van deze eis

finsul = 1,1

  • voldaan aan eisen voor finsul = 1,3 (zoals hierboven)
  • elk kraanwerkelement heeft een equivalente warmteweerstand die groter of gelijk is aan het maximum van de equivalente warmteweerstanden van alle segmenten die verbonden zijn op het element
  • elk pomphuis is thermisch geïsoleerd met een isolatiemateriaal en de verhouding van minimale isolatiedikte en de warmtegeleidingscoëfficiënt is groter of gelijk aan 0,5

Op basis van vragen over de uitvoeringskwaliteit van de isolatie, bepaalt de software de waarde van finsul. U moet deze factor dus niet zelf bepalen.

 

 Geldig voor aanvragen vanaf 01/01/17