Hulpenergie ventilatie: rekenmethode - residentieel (periode 2)

Voor de berekening van het hulpenergie van ventilatoren wordt rekening gehouden met:

  • het maandelijks elektriciteitsverbruik van alle ventilatoren, gesommeerd over de verschillende ventilatiezones.
  • de tijdsfractie dat verwacht wordt dat de ventilator zal werken.

De berekening van het maandelijks elektriciteitsverbruik kan op drie manieren.

Vereenvoudigde berekening ("methode 1")

Bij de vereenvoudigde berekening wordt rekening gehouden met een waarde bij ontstentenis voor het elektrisch vermogen van de ventilator. Deze waarde hangt af van:

  • het geplaatste ventilatiesysteem
  • het type ventilator (gelijkstroom of wisselstroom) 
  • het gebruik van de ventilator (voor hygiënische ventilatie en/of luchtverwarming)

Gedetailleerde berekening ("methode 2")

De rekenwaarde wordt bepaald bij een representatief werkingspunt op basis van het geïnstalleerde elektrisch vermogen.

Deze methode is gebaseerd op geëiste debieten en productgegevens van de geïnstalleerde ventilatoren.

Gedetailleerde berekening ("methode 3")

De rekenwaarde wordt bepaald bij een representatief werkingspunt op basis van het gemeten elektrisch vermogen bij de nominale stand.

Deze methode is gebaseerd op gemeten debieten en meetgegevens op de geïnstalleerde ventilatoren. Bij deze methode moet voor elke ventilator(groep) het opgenomen elektrisch vermogen ter plaatse worden gemeten, volgens regels vastgelegd door de minister.

Let op! Voor residentiële projecten waarvan de EPB-aangifte wordt ingediend vanaf 1 juli 2017 is een vermogensmeting mogelijk (niet verplicht), maar dan moet ze ook gebeuren vóór het opstellen van het prestatieverslag , opgenomen in de STS-ventilatie een verplicht onderdeel van het kwaliteitskader.

Opmerking

Als u kiest voor de detailberekening moet u alle aanwezige ventilatoren rapporteren, telkens met het overeenkomstige ventilatievermogen.