Ik heb later zonnepanelen bijgeplaatst, welke retroactieve investeringspremie mag ik verwachten?

In de berekening van de retroactieve investeringspremie wordt enkel rekening gehouden met zonnepanelen geplaatst en bijgeplaatst voor eind 2020 die voldoen aan al de gestelde voorwaarden. Lees ook het antwoord op de vraag 'Aan welke voorwaarden moeten de installatie en de aanvraag voldoen voor de retroactieve investeringspremie?'

De retroactieve investeringspremie kan éénmalig aangevraagd worden per aansluiting of meter (dus per EAN-nummer), ook als de installatie in de loop der jaren is uitgebreid.

De nieuwe zonnepanelen zijn op een andere aansluiting (verschillende EAN-nummers) aangesloten

Als de bijkomende zonnepaneleninstallatie werd geplaatst op een andere aansluiting (ander EAN-nummer) dan de oorspronkelijke zonnepaneleninstallatie, dan is er een retroactieve investeringspremie voor elke afzonderlijke installatie, berekend op basis van het piekvermogen (aantal kWp) aangesloten op de aansluiting (EAN-nummer). Uiteraard moet elke afzonderlijke installatie aan de voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor de retroactieve investeringspremie. 

De nieuwe zonnepanelen zijn op dezelfde aansluiting (één EAN-nummer) aangesloten

Als de bijkomende zonnepaneleninstallatie dezelfde aansluiting (hetzelfde EAN-nummer) als de oorspronkelijke zonnepaneleninstallatie heeft, dan wordt het piekvermogen (aantal kWp) van de installaties samengeteld voor zover deze uitbreiding gebeurde tot en met 31 december 2020. De retroactieve investeringspremie wordt dan berekend op basis van het totale piekvermogen (aantal kWp) van de zonnepaneleninstallaties samen.

Dit geldt zowel voor uitbreidingen op dezelfde omvormer als voor het plaatsen van een extra omvormer, zolang de zonnepanelen op dezelfde aansluiting aangesloten zijn.

De retroactieve investeringspremie wordt berekend volgens het installatiejaar van de oorspronkelijke (oudste) zonnepaneleninstallatie. De reden hiervoor is dat het Energiebesluit bij uitbreidingen de datum van de eerste AREI-keuring als datum van indienstname vastlegt. Deze regel bestond al vóór de uitspraak van het arrest van het Grondwettelijk Hof en was ook van toepassing op de regeling van de terugdraaiende teller. Met andere woorden: een uitbreiding van een bestaande zonnepaneleninstallatie wordt hier als het ware ‘opgeslorpt’ door de oorspronkelijke zonnepaneleninstallatie.

Voorbeeld 1: u nam in 2011 voor het eerst zonnepanelen in dienst, met een piekvermogen van 4 kWp. In 2018 breidde u uw installatie uit, met 2 kWp op dezelfde aansluiting (hetzelfde EAN-nummer). U zal één aanvraag voor de retroactieve investeringspremie kunnen indienen, voor de volledige installatie van 6 kWp. Dit dossier zal behandeld worden alsof de volledige zonnepaneleninstallatie in 2011 in dienst genomen werd. In dit geval heeft u geen recht op een retroactieve investeringspremie, gezien installaties in dienst genomen in 2011 geen recht hebben op een retroactieve investeringspremie.

Voorbeeld 2: u nam in 2014 voor het eerst zonnepanelen in dienst, met een piekvermogen van 4 kWp. In 2020 breidde u uw installatie uit, met 2 kWp op dezelfde aansluiting (hetzelfde EAN-nummer). U zal één aanvraag voor de retroactieve investeringspremie kunnen indienen, voor de volledige installatie van 6 kWp. Dit dossier zal behandeld worden alsof de volledige zonnepaneleninstallatie in 2014 in dienst genomen werd. Als u aan alle voorwaarden voldoet, heeft u recht op een retroactieve investeringspremie. Het bedrag is afhankelijk van het jaar waarin de digitale meter geplaatst wordt.

Voorbeeld 3: u nam in 2018 voor het eerst zonnepanelen in dienst, met een piekvermogen van 4 kWp. In 2021 breidde u uw installatie uit, met 2 kWp op dezelfde aansluiting (hetzelfde EAN-nummer). U zal in dat geval enkel een retroactieve investeringspremie krijgen voor de installatie geplaatst in 2018 van 4 kWp. Voor de 2 kWp die u in 2021 bijplaatste, krijgt u geen investeringspremie.