Het EPC bij gebouwen met een kleine niet-residentiële bestemming in combinatie met een deel industrie

WELK EPC MOET OPGEMAAKT WORDEN?

Werkwijze

In eenzelfde eenheid kunnen er verschillende (al dan niet dienstbare of ondersteunende) bestemmingen aanwezig zijn die niet autonoom functioneren waardoor er geen opdeling in verschillende eenheden kan gemaakt worden.

Komen er in een gebouw meerdere dergelijke bestemmingen voor (residentieel, niet-residentieel, industrie), waaronder industrie, dan gaat u als volgt te werk:

  • Ga na of het deel industrie minstens 70% van de bruikbare vloeroppervlakte inneemt.

    • Is dit het geval, dan is industrie de hoofdbestemming. Bij verkoop of verhuur van het gebouw is dan geen EPC vereist.
    • Is dit niet het geval, dan wordt de hoofdbestemming gelijkgesteld aan de bestemming van de gebouwdelen (met een andere bestemming dan industrie) die de grootste bruikbare vloeroppervlakte (BVO) beslaan.
Voorbeelden
  • Een eenheid bevat een kantoor (bestemming niet-residentieel) en een magazijn (bestemming industrie).
    • Het magazijn beslaat 65% van de BVO. De hoofdbestemming van de eenheid is dus niet-residentieel.
    • Het magazijn is niet functioneel zelfstandig en is bijgevolg dienstbaar aan het kantoor. AIs de totale BVO (kantoor + magazijn) < of = 500 m², dan moet er  bij verkoop of verhuur van  het gebouw  een EPC voor kleine niet-residentiële eenheden worden opgemaakt.
    • Is de totale BVO > 500 m², dan moet een EPC voor grote niet-residentiële eenheden opgemaakt worden. Dit EPC is echter nog in ontwikkeling en kan nog niet opgemaakt worden.
  • Een eenheid bevat een winkelruimte met achterliggende drukkerij op het gelijkvloers en appartementen op de bovenliggende verdiepingen.
    • De drukkerij (bestemming industrie) beslaat 35% van de BVO. De winkelruimte (bestemming niet-residentieel) beslaat 25% van de BVO. De appartementen (bestemming residentieel-nemen  40% in van de BVO.
    • Bij verkoop of verhuur van  het gebouw moet er dus een EPC voor bestaande woongebouwen worden opgemaakt voor het hele gebouw.
  • Een gebouw met totale bruikbare vloeroppervlakte van 800 m² wordt verkocht. Dit gebouw bestaat uit een magazijn (600 m²) en een kantoor (200 m²). Aan de buitenkant van het gebouw is een aparte toegang voorzien naar de kantoorruimte. De kantoorruimte beschikt over een toilet. Het kantoor is dus in functioneel opzicht zelfstandig. Om na te gaan welk EPC moet opgemaakt worden gaat u eerst de opdeling in gebouweenheden na.
    • De volgende vaststellingen worden gemaakt:
      • De kantoorruimte voldoet in principe aan de voorwaarden om een aparte eenheid te zijn: ze is functioneel zelfstandig en heeft een eigen afsluitbare toegang.
      • Het magazijn is dienstbaar (ondersteunend) aan het kantoor en is niet functioneel zelfstandig. Het vormt dus sowieso geen aparte eenheid.
    • Gebouwdelen die dienstbaar (ondersteunend) zijn aan andere gebouwdelen zijn niet functioneel zelfstandig en vormen dus geen aparte eenheid. Het kantoor is in principe wel functioneel zelfstandig, maar aangezien het magazijn niet functioneel zelfstandig is en het kantoor ondersteunt, wordt het magazijn bij de eenheid van het kantoor genomen.
    • Hierdoor is de oppervlakte van de gebouweenheid in dit voorbeeld dan groter dan 500 m², waardoor er geen EPC voor kleine niet-residentiële eenheden moet beschikbaar zijn bij het te koop stellen.
  • Stel dat de  oppervlakte van de gebouweenheid niet groter is dan 500 m², dan moet de hoofdbestemming van de eenheid bepaald worden, aangezien de eenheid zowel gebouwdelen met bestemming industrie (magazijn) als gebouwdelen met bestemming niet-residentieel (kantoor) bevat. De energiedeskundige past de hierboven beschreven werkwijze toe en komt tot het besluit dat er een EPC voor kleine niet-residentiële eenheden moet opgsteld worden.

 

EPC-kNR_case-voorbeeld6