Het gebruik van de flexibele instrumenten door Vlaanderen

 

Eerst interne maatregelen, dan pas flexibele instrumenten

In het Vlaams Mitigatieplan (VMP) 2013-2020 werden de regels voor het gebruik van de flexibele instrumenten voor het behalen van de Vlaamse niet-ETS doelstelling onder de Europese Effort Sharing Decision (ESD) vastgelegd. Eén van de uitgangspunten van het VMP 2013-2020 is dat de Vlaamse Regering alle interne maatregelen treft die technisch en economisch uitvoerbaar en maatschappelijk aanvaardbaar zijn. Indien de beschikbare jaarlijkse emissieruimte dreigt te worden overschreden, kan Vlaanderen gebruik maken van flexibele instrumenten. Daarbij worden de internationale voorwaarden inzake duurzame ontwikkeling toegepast.

Het gebruik van flexibele instrumenten door Vlaanderen

Het Vlaamse Gewest kiest ervoor om eventuele overschotten in de jaarlijkse emissieruimte in de eerste jaren van de verbintenisperiode 2013-2020 en het restvolume aan uitstootrechten die eerder werden verworven via de projectgebonden flexibiliteitsmechanismen van het Kyotoprotocol op te sparen voor gebruik in toekomstige jaren. Het grillige karakter van de internationale koolstofmarkt over de voorbije jaren toont immers aan dat het zeer moeilijk is om prijstendensen te voorspellen en hier actief op in te spelen. Dit is ook niet de hoofddoelstelling van het Vlaamse Gewest in haar verwervingsstrategie.

Gezien de zeer korte periode om de jaarlijkse niet-ETS-boekhouding te vervolledigen aan de hand van de voorziene flexibiliteit en gezien de onzekerheid verbonden aan de omvang van de jaarlijkse tekorten en de prijzen op de koolstofmarkt, zal het Vlaamse Gewest in haar aankoopbeleid een tweesporenstrategie volgen:

  • Aanleggen van een buffer

Op basis van de meest recente emissieramingen zullen, indien nodig, ex ante aankopen worden verricht van Kyoto-eenheden, jaarlijkse emissieruimte of bijkomende gebruiksruimte voor externe Kyoto-eenheden. Hierbij zal in eerste instantie gestart worden met de verwerving van internationale Kyoto-eenheden, rekening houdend met de lage prijzen op de secundaire markt. Bij de opbouw van de emissieruimtebuffer kan tevens de primaire koolstofmarkt worden aangesproken indien dit noodzakelijk is voor het volledig invullen van het gebruiksquotum voor CER’s in de minst ontwikkelde landen (MOL’s) en indien dit kan gebeuren aan marktconforme voorwaarden. Marktontwikkelingen zullen mee bepalend zijn bij het maken van de nodige keuzes.

  • Korte termijn aankopen

Nadat de gereviseerde niet-ETS-uitstootgegevens bekend zijn, worden indien nodig, in de periode voorzien voor afrekeningen, bijkomende aankopen verricht. Gezien de korte beschikbare tijd kunnen hiervoor enkel aankopen gebeuren op de secundaire markt van Kyoto-eenheden of van jaarlijkse emissieruimte. Hiervoor kan jaarlijks indien nodig, eind september, een bijkomend budget worden toegekend uit het Vlaams Klimaatfonds.

De kwantitatieve aankoopdoelstellingen zullen jaarlijks geëvalueerd worden in de voortgangsrapporten bij VMP 2013-2020 aan de hand van de meest recente emissieprognoses - die overeenkomstig de Europese richtsnoeren tweejaarlijks worden geactualiseerd - en aan de hand van de emissie-inventarisatie voor voorbije kalenderjaren die ondertussen ter beschikking is.

Duurzaamheidsoverwegingen bij de aankoop van emissierechten

De ESD stelt kwantitatieve en kwalitatieve beperkingen aan het gebruik van sommige vormen van flexibiliteit, voornamelijk wat betreft de projectgebonden flexibiliteitsmechanismen van het Kyotoprotocol. Zo wordt het gebruik van dergelijke kredieten voor België jaarlijks beperkt tot 4% van de emissies in 2005. Ook worden kredieten uit nucleaire activiteiten of activiteiten inzake landgebruik, verandering in landgebruik of bosbouwactiviteiten uitgesloten.

Hoewel de ESD dit niet voorschrijft, zal het Vlaamse Gewest uit duurzaamheidsoverwegingen geen CER’s of ERU’s verwerven die voortkomen uit projectcategorieën die uitgesloten zijn voor de ETS-bedrijven voor de handelsperiode 2013-2020. Daarnaast opteert het Vlaamse Gewest er ook voor om geen gebruik te maken van kredieten afkomstig van andere, minder duurzame projecttypen. Meer bepaald worden volgende kredieten uitgesloten:

  • CER’s en ERU’s uit projecten waarbij trifluormethaan (HFK-23) wordt vernietigd, omdat deze aanzienlijke ‘windfall profits’ genereren en de uitfasering van ozonafbrekende stoffen bemoeilijken;
  • CER’s en ERU’s uit projecten waarbij N2O afkomstig van de productie van adipinezuur wordt vernietigd, om gelijkaardige redenen;
  • CER’s en ERU’s die gegenereerd worden uit nucleaire installaties;
  • CER’s en ERU’s afkomstig uit landgebruik, verandering in het landgebruik en bosbouwactiviteiten;
  • CER’s en ERU’s uit projecten waarbij distikstofoxide (N2O) afkomstig van de productie van salpeterzuur wordt vernietigd;
  • CER’s en ERU’s uit grote waterkrachtprojecten (>20MW);
  • CER’s en ERU’s afkomstig uit projecten waarbij de energie-efficiëntie van steenkoolcentrales wordt verbeterd;
  • ERU’s uit JI track I projecten.

Voor de verbintenisperiode 2013-2020 worden de aankopen uit eenzelfde gastland beperkt tot 40% van het totale verwervingsvolume voor deze periode.

Meer informatie

Downloads

Published on: 
20-10-2021