Normalisatie

Op Belgisch en Europees niveau werden normen opgesteld om de binnenverlichtingsvoorwaarden en het visuele comfort te bepalen en te toetsen. Deze normen zijn hulpmiddelen om een kwantitatieve en kwalitatieve verlichting te ontwikkelen.

Europese normen, geïmplementeerd op Belgisch niveau:

  • NBN EN 12464-1: Licht en verlichting – Binnenwerkplekverlichting – Deel 1: Binnenwerkplekken;
  • NBN EN 1838: Licht en verlichting – Noodverlichting;
  • NBN EN 12193: Licht en verlichting – Sportverlichting.

Verlichting van binnenwerkplekken

De norm NBN EN 12464-1 beschrijft de verlichtingseisen voor binnenwerkplekken. Het doel ervan is om een zeker visueel comfort te verzekeren. Het Belgisch Instituut voor Verlichtingskunde (BIV) gaf ook een Code van goede praktijk uit.

Naast enkele algemene eisen, die voor elk type taak gelden, legt de norm voor elke taak drie specifieke eisen op: 

NBN EN 12464-1De te verzekeren verlichtingssterkte Em is de waarde voor de gemiddelde verlichtingssterkte die op het beschouwde werkvlak minstens moet worden gehaald. Hierbij houdt men rekening met de afname van de verlichtingssterkte van een nieuwe installatie in de tijd. De verlichtingssterkte kan dalen door stof op de (verlichtings)installaties of door de onvermijdelijke veroudering van de lampen. De te verzekeren verlichtingssterkte maakt de uitvoering van de taak mogelijk zonder gevaar of visuele vermoeiing. 
 
De grenswaarde voor de hinderlijke verblinding (van de verlichtingsinstallatie) wil ervoor zorgen dat verblinding geen hinder veroorzaakt bij de uitvoering van de taak. De berekening ervan berust op de conventionele evaluatiemethode  van de verblindingsgraad (de UGR, Unified Glare Rating of Eengemaakte Verblindingsgraad). Hoe hoger de UGR, hoe meer risico er is op verblinding voor de gebruiker. Concreet treedt bij UGR-waarden lager dan 10 geen enkele merkbare verblinding op. Het is pas vanaf waarden rondom 22 dat de verblinding storend wordt. Bij waarden hoger dan 28 wordt de verblinding zelfs onverdraaglijk.

 De kleurweergave-index Ra drukt het vermogen van een lichtbron uit om de verschillende kleuren van een verlicht voorwerp correct weer te geven. Het is een waarde zonder eenheid en ze ligt tussen 0 en 100. Hoe hoger de waarde, hoe correcter de kleuren worden weergegeven.

In de bijlage van de norm zijn er voor elk type activiteit tabellen met de opgegeven eisen, zoals voorgesteld in onderstaande tabel, die betrekking heeft op kantoren.

Naast de specifieke eisen voor een taak, legt de norm ook een aantal eisen op die voor elk type taak van toepassing zijn. Zo worden, om het visuele comfort te waarborgen en te bruuske variaties van de verlichtingssterkte te vermijden, ook eisen gesteld aan de uniformiteit van de verlichtingssterkte op de werkplek en in de aangrenzende zones. De uniformiteit wordt bepaald als de verhouding van de minimale verlichtingssterkte tot de gemiddelde verlichtingssterkte van een oppervlak. 

Ze moet hoger zijn dan 0,7 op de taak en hoger dan 0,5 in de onmiddellijk aangrenzende zone. Daarnaast worden er ook een minimale te verzekeren verlichtingssterkte opgelegd in de onmiddellijk aangrenzende zone.

Om hinderlijke verblinding te voorkomen legt de norm NBN EN 12464-1 ook minimale afschermhoeken op. De afschermhoek is de hoek waaronder er geen rechtstreeks zicht is op de lichtbron. De minimale waarde is afhankelijk van de luminantie van de lichtbron.

Waarden volgens NBN EN 12464-1

Bijlage 5.3. Verlichting van de kantoren

Aanbevelingen van de norm NBN EN 12464-1

 

Interieurtype

Em  (lux)

UGRL (-)

Ra (-)

Opmerking

Technisch tekenen

750

16

80

 

Schrijfwerk

500

19

80

 

Conferentiezaal

500

19

80

 

Receptie

300

22

80

 

Archieven

200

25

80

  

Noodverlichting

De Belgische norm NBN EN 1838 bepaalt de fotometrische voorschriften voor de noodverlichtingssystemen in gebouwen waar dit vereist is. Het is voornamelijk van toepassing op de plaatsen waar publiek of werknemers worden ontvangen.

In de norm onderscheidt men verschillende types noodverlichting zoals vervangingsverlichting, evacuatieverlichting, antipaniekverlichting en verlichting van gevaarlijke werkplekken.

 

schema: classificatie noodverlichting

In schoolgebouwen moeten zowel antipaniekverlichting als evacuatieverlichting voorzien zijn. Sommige mechanicawerkplaatsen moeten voorzien zijn van een veiligheidsverlichting voor gevaarlijke werkplekken.

Omgevingsverlichting, ook antipaniekverlichting genoemd, is bestemd om het risico op paniek bij de gebruikers van een ruimte te verminderen op het ogenblik dat de verlichtingsinstallatie het plots laat afweten. 
Ze moet het de gebruikers mogelijk maken zich veilig naar de evacuatiewegen te begeven en moet minimaal een horizontale verlichtingssterkte van 0,5 lux over de volledige oppervlakte van een lege ruimte verzekeren (zonder de randzone).

Evacuatieverlichting moet de gebruikers toelaten om een ruimte veilig te verlaten. Hiertoe moet een minimale verlichtingssterkte van 1 lux verzekerd worden langs de centrale lijn van de evacuatieweg. In de centrale zone, die even breed is als de helft van de evacuatieweg, moet een minimale verlichtingssterkte worden gehaald die 50% bedraagt van deze van de centrale lijn.

Verlichting van gevaarlijke werkplekken is bedoeld om de taak te kunnen beëindigen voordat het lokaal ontruimd wordt en moet binnen de 5 seconden de volledige lichtstroom leveren, totdat de taak is beëindigd.

Sportverlichting

De verlichting van sportzalen en buitensportinstallaties wordt behandeld in de norm NBN EN 12193 "Licht en verlichting. Sportverlichting". Deze norm beschrijft de verlichtingsvereisten voor sportevenementen. Ze behandelt zowel de verlichtingsvoorwaarden binnen als buiten. Dit is uitzonderlijk, aangezien men doorgaans een duidelijk onderscheid maakt tussen de voorschriften voor de binnen- en de buitenverlichting, vermits de taken meestal verschillend zijn.

De norm beschrijft de methode voor de dimensionering en karakterisering van de verlichting. Aangezien de kwaliteit van de benodigde verlichting onder andere afhankelijk is van het sporttype (grootte van het terrein, precisie van de uit te voeren taak ... ), zijn bepaalde parameters van sport tot sport verschillend.